Hoe kon hij dat doen? Mijn vader, haar en het verlies van mama
‘Hoe kun je dit doen, pap?’ Mijn stem trilt, maar ik probeer hem niet te laten breken. Ik sta in de deuropening van de keuken, mijn jas nog half aan, de geur van regen en nat gras om me heen. Mijn vader kijkt op van zijn krant, zijn gezicht verstijft. Naast hem staat zij. Marijke. Haar hand rust op de rugleuning van mama’s oude stoel, alsof ze er recht op heeft.
‘Wiesje, luister nou even—’ begint hij, maar ik kap hem af. ‘Nee! Je hoeft niks uit te leggen. Mama is nog maar drie maanden weg. Drie maanden! En nu… nu staat zij hier, alsof ze bij ons hoort.’ Mijn stem slaat over. Ik voel de tranen prikken, maar ik wil niet huilen waar zij bij is.
Marijke kijkt ongemakkelijk weg, haar handen friemelen aan de mouwen van haar trui. ‘Misschien moet ik even gaan,’ mompelt ze, maar papa schudt zijn hoofd. ‘Nee, blijf maar. We moeten hier samen doorheen.’
Samen? Ik voel woede opborrelen. Samen? Alsof wij een team zijn. Alsof zij erbij hoort. Ik gooi mijn tas op de grond, de inhoud verspreidt zich over de tegels. Mijn gymspullen, een half opgegeten appel, mama’s oude sleutelhanger. Alles ligt open en bloot, net als mijn verdriet.
De dagen daarna is het huis anders. Marijke is er steeds vaker. Ze zet thee in mama’s theepot, hangt haar jas aan mama’s haakje, lacht te hard om papa’s grapjes. Ik hoor haar stem door de muren als ik in bed lig. Soms hoor ik haar huilen. Soms hoor ik papa troosten. Ik trek de dekens over mijn hoofd en probeer te doen alsof ik niets hoor.
Op school merken ze het ook. ‘Gaat het wel, Wies?’ vraagt mijn vriendin Noor voorzichtig. Ik haal mijn schouders op. ‘Prima.’ Maar Noor kijkt me aan met die blik die alles doorziet. ‘Je hoeft niet altijd sterk te zijn, weet je.’
Sterk zijn. Dat zei mama ook altijd. ‘Je bent mijn sterke meisje, Wiesje.’ Maar ik voel me allesbehalve sterk. Ik voel me leeg, boos, verraden. Papa lijkt verder te gaan, maar ik blijf steken in het moment dat mama haar laatste adem uitblies. Haar hand in de mijne, haar ogen die langzaam dichtvielen. Ik hoor haar stem nog steeds in mijn hoofd.
Op een avond, als papa denkt dat ik slaap, hoor ik hem praten met Marijke in de woonkamer. ‘Ze haat me,’ zegt hij zacht. ‘Ze haat ons.’ Marijke zucht. ‘Ze rouwt, Henk. Ze mist haar moeder. Geef haar tijd.’
Ik draai me om in bed. Haat ik hem? Haat ik haar? Of haat ik gewoon dat alles zo snel verandert?
De volgende ochtend zit Marijke aan de keukentafel als ik naar beneden kom. Ze heeft rode ogen. ‘Goedemorgen, Wiesje,’ zegt ze voorzichtig. Ik negeer haar en pak een boterham. Ze schuift een briefje naar me toe. ‘Ik weet dat ik niet je moeder ben. Dat wil ik ook niet zijn. Maar ik wil er wel voor je zijn, als je dat ooit wilt.’
Ik kijk haar niet aan. Ik prop de boterham in mijn mond en loop naar buiten. De lucht is grijs, de straat nat van de motregen. Ik loop zonder doel, mijn voeten volgen het vertrouwde pad naar het park waar mama en ik altijd wandelden. Ik ga op ons bankje zitten. De bomen zijn kaal, hun takken steken scherp af tegen de lucht. Ik voel de kou tot in mijn botten.
‘Waarom ben je weggegaan, mama?’ fluister ik. ‘Waarom moest jij gaan en niet iemand anders?’
Ik weet dat het geen zin heeft, maar ik blijf het vragen. Elke dag weer. Soms denk ik dat ik haar zie, in de schaduw van een boom, in het voorbijgaan van een fietser. Maar het is altijd iemand anders.
Thuis is het stil als ik terugkom. Papa zit aan tafel, zijn hoofd in zijn handen. Marijke is weg. ‘Wiesje,’ zegt hij zacht. ‘Kom eens hier.’
Ik blijf staan, mijn jas nog aan. ‘Wat?’
Hij kijkt op, zijn ogen rood. ‘Ik weet dat het moeilijk is. Voor mij ook. Maar ik kan niet zonder iemand. Ik kan niet alleen zijn. Dat betekent niet dat ik mama vergeet. Nooit. Maar ik moet verder. En ik wil dat jij ook verder kunt.’
‘Ik wil niet verder,’ zeg ik. ‘Ik wil mama terug.’
Hij knikt. ‘Dat wil ik ook. Elke dag. Maar dat kan niet. Dus moeten we het samen doen. Jij en ik. En misschien, als je wilt, met Marijke erbij. Maar alleen als jij dat wilt.’
Ik weet niet wat ik wil. Alles is te veel, te snel, te pijnlijk. Ik loop naar boven, sluit de deur en laat mezelf eindelijk huilen. Niet stil, niet ingehouden, maar hard en rauw, zoals het voelt.
De weken gaan voorbij. Marijke blijft komen, maar ze dringt zich niet op. Soms laat ze een briefje achter, soms een kopje thee. Langzaam verandert er iets. Ik merk dat ik minder boos ben. Dat ik haar aanwezigheid niet meer haat. Op een dag zit ik met haar aan tafel, we zwijgen samen. Het voelt niet verkeerd.
‘Weet je,’ zegt ze ineens, ‘ik heb mijn moeder ook verloren toen ik jong was. Het went nooit. Maar het wordt wel draaglijker. Op een dag kun je weer lachen zonder schuldgevoel.’
Ik kijk haar aan. Voor het eerst zie ik haar echt. Niet als indringer, maar als iemand die ook pijn kent. Iemand die misschien begrijpt hoe het voelt.
Papa komt binnen, kijkt verbaasd naar ons. ‘Gaat het een beetje?’ vraagt hij voorzichtig.
Ik haal mijn schouders op. ‘Soms.’
Hij glimlacht. ‘Dat is genoeg voor nu.’
’s Avonds lig ik in bed, denkend aan alles wat veranderd is. Aan mama, aan papa, aan Marijke. Aan mezelf. Misschien is het leven niet eerlijk. Misschien doet het pijn. Maar misschien, heel misschien, kan het ook weer mooi worden.
Wat denken jullie? Kun je ooit echt verder na zo’n verlies? Of blijft er altijd een leegte die niemand kan vullen?