Een briefje op de koelkast: het dagboek van 5 november

‘Waarom nu? Waarom vandaag?’ Mijn stem trilt als ik het fluister, terwijl ik het briefje in mijn hand klem. De keuken is nog koud, het eerste licht van november schijnt vaag door het raam. Ik hoor boven het zachte gestommel van mijn vrouw, Anja, maar ik kan me niet bewegen. Mijn ogen blijven hangen op de paar haastige regels, geschreven in haar handschrift, dat ik na al die jaren uit duizenden herken.

‘Jan, ik moest even weg. Maak je geen zorgen. Ik leg het straks uit. – A.’

Mijn hart bonkt in mijn borst. Ik voel de oude angst opkomen, die ik dacht kwijt te zijn sinds de kinderen uit huis zijn. Ik kijk naar de klok: 6:32. De stilte in huis is oorverdovend. Ik zet de waterkoker aan, zoals elke ochtend, maar mijn handen trillen zo erg dat het water over de rand spat. De geur van versgemalen koffie, normaal zo geruststellend, lijkt nu vreemd en afstandelijk.

‘Wat is er aan de hand, Anja?’ fluister ik, alsof ze me kan horen. Mijn gedachten schieten alle kanten op. Is er iets gebeurd met haar moeder? Heeft ze ruzie gehad met onze dochter, Sophie? Of… is het iets tussen ons?

Ik denk terug aan gisteravond. We zaten samen op de bank, zij met haar breiwerk, ik met de krant. Er was niets bijzonders, geen woordenwisseling, geen spanning. Of heb ik iets gemist? Ik voel een steek van schuld. Misschien ben ik te veel op mezelf geweest de laatste tijd. Sinds mijn pensioen heb ik moeite om mijn dagen te vullen. Anja zegt dat ik chagrijnig ben, dat ik te veel in mijn hoofd zit. Maar zij zegt zoveel.

De waterkoker klikt. Ik schenk het water in de mok, maar vergeet het theezakje. Mijn blik dwaalt naar de koelkast, naar de magneet in de vorm van een lieveheersbeestje die Sophie ooit op de markt in Utrecht voor me kocht. Het briefje ligt nu op tafel, maar het voelt alsof het nog steeds aan de koelkast hangt, als een dreigend teken.

Mijn telefoon trilt. Een appje van Sophie: ‘Goedemorgen pap! Alles goed daar?’

Ik twijfel. Moet ik haar vertellen dat haar moeder zomaar is verdwenen? Of maak ik me druk om niets? Misschien is Anja gewoon even naar de bakker. Maar waarom dan dat briefje?

Ik besluit niets te zeggen. Ik stuur een emoji terug, een duim omhoog. Maar mijn vingers blijven hangen boven het scherm. Ik wil haar bellen, haar stem horen, maar ik weet dat ik dan ga breken. En ik wil niet dat ze zich zorgen maakt.

De tijd kruipt voorbij. Ik probeer de krant te lezen, maar de woorden dansen voor mijn ogen. Ik hoor de buren hun fietsen uit de schuur halen, kinderen die op straat lachen. De wereld draait gewoon door, terwijl mijn leven stilstaat.

Om acht uur kan ik het niet meer houden. Ik bel Anja. Geen gehoor. Nog een keer. Voicemail. Haar stem klinkt opgewekt: ‘Hallo, je spreekt met Anja. Laat een berichtje achter!’

Ik hang op zonder iets te zeggen. Mijn handen zijn klam. Ik loop door het huis, zoekend naar aanwijzingen. Haar jas hangt er niet. Haar tas is weg. In de badkamer liggen haar make-upspullen nog op het plankje, maar haar parfum is verdwenen. Ik ruik eraan, een vleugje van haar geur blijft hangen. Ik voel tranen prikken achter mijn ogen.

Plotseling hoor ik de voordeur. Mijn hart slaat over. Ik ren naar de gang. Daar staat ze, met rode wangen en natte haren. Ze kijkt me aan, haar ogen groot en donker.

‘Anja! Waar was je?’ Mijn stem klinkt schor.

Ze zucht en kijkt weg. ‘Ik moest even nadenken, Jan. Het spijt me dat ik je heb laten schrikken.’

‘Nadenken? Waarover?’

Ze bijt op haar lip. ‘Over ons. Over alles. Ik… ik weet niet of ik zo verder kan.’

De grond lijkt onder mijn voeten weg te zakken. ‘Wat bedoel je?’

Ze draait zich om, hangt haar jas op. ‘Ik voel me opgesloten, Jan. Sinds jij thuis bent, is alles anders. Je bent er altijd. Je kijkt altijd. Ik heb geen ruimte meer voor mezelf.’

Ik voel woede opkomen, maar ook verdriet. ‘Waarom heb je dat niet eerder gezegd?’

Ze draait zich naar me toe, haar ogen nat. ‘Ik heb het geprobeerd. Maar je luistert niet. Je bent zo bezig met jezelf, met je eigen gemis, dat je mij niet meer ziet.’

Ik weet niet wat ik moet zeggen. Ik wil haar vasthouden, haar geruststellen, maar ik voel me ineens zo machteloos. ‘Wat wil je dan?’

Ze haalt haar schouders op. ‘Ik weet het niet. Misschien moeten we even afstand nemen. Ik ga vanavond bij Sophie logeren.’

‘Bij Sophie?’ Mijn stem breekt. ‘Heb je haar al gebeld?’

Ze knikt. ‘Ze weet het. Ze begrijpt het.’

Ik voel me verraden. Mijn eigen dochter, mijn vrouw, samen tegen mij. ‘En ik dan? Wat moet ik doen?’

Ze kijkt me aan, haar blik zacht maar vastberaden. ‘Misschien moet jij ook nadenken, Jan. Over wat je wilt. Over wie je bent, zonder mij.’

Ze loopt de trap op, laat me achter in de gang. Ik hoor haar koffer uit de kast trekken, haar voetstappen op de vloer. Ik kan niet bewegen. Mijn hele leven lijkt in één ochtend uit elkaar te vallen.

Die avond zit ik alleen aan tafel. De stilte is ondraaglijk. Ik staar naar het lege bord tegenover me, waar Anja altijd zat. Ik hoor haar stem in mijn hoofd, haar lach, haar zachte gemopper als ik weer eens te veel zout op mijn aardappels doe. Ik voel een leegte die ik niet kan vullen.

Ik pak pen en papier. Ik schrijf: ‘Lieve Anja, ik weet niet hoe het verder moet. Ik weet alleen dat ik je mis. Dat ik niet weet wie ik ben zonder jou. Maar misschien is het tijd om dat uit te zoeken.’

Ik vouw het briefje dubbel en leg het op haar plek aan tafel. Misschien leest ze het ooit. Misschien niet. Maar ik moet iets doen. Iets anders dan wachten.

Buiten regent het zacht. Ik hoor het tikken tegen het raam. Ik denk aan vroeger, aan de tijd dat alles vanzelf ging. Aan de eerste keer dat we samen naar het strand gingen, aan de geur van haar haar in de wind. Waar is dat gevoel gebleven? Wanneer zijn we elkaar kwijtgeraakt?

Ik sta op, loop naar de koelkast. De magneet met het lieveheersbeestje hangt er nog steeds. Ik glimlach door mijn tranen heen. Misschien is dit het begin van iets nieuws. Of het einde van alles wat ik kende.

Wat zou jij doen, als je ineens alles dreigt te verliezen wat je lief is? Zou je vechten, of loslaten?