Niet terugkijken. Dat betekent dat je nooit echt hebt liefgehad.
‘Ga je zo echt naar buiten, Jul? Je weet dat het vriest, hè?’ De stem van mijn moeder klonk bezorgd, maar ergens ook geïrriteerd. Ze stond in de deuropening van mijn kamer, haar armen over elkaar geslagen, terwijl haar blik over mijn dunne, lichtblauwe jurk gleed. ‘Niet zo zeuren, mam. Ik ben zo weer terug. En ik ga echt niet in een spijkerbroek naar de verjaardag van Lotte,’ antwoordde ik, terwijl ik mijn haar nog een keer door mijn vingers liet glijden. Mijn hart bonsde in mijn borstkas, niet alleen van de zenuwen voor het feest, maar ook door de spanning tussen ons.
‘Je weet dat ik alleen maar bezorgd ben, toch?’ Haar stem brak een beetje. Ik keek haar aan in de spiegel, haar ogen stonden moe. ‘Ik weet het, mam. Maar ik ben geen kind meer.’ Mijn stem klonk harder dan ik bedoelde. Ze zuchtte en draaide zich om, haar voetstappen klonken zwaar op de overloop.
Ik hoorde beneden mijn vader de krant omslaan. ‘Laat haar nou, Marjan. Ze moet haar eigen keuzes maken,’ riep hij zonder op te kijken. Mijn moeder antwoordde niet, maar ik wist dat ze zich zorgen maakte. Sinds de scheiding vorig jaar was alles anders. Mijn vader woonde nu weer bij ons, tijdelijk, zei hij. Maar niets voelde tijdelijk. Alles voelde als een eindeloze herhaling van oude ruzies en stiltes.
Buiten was het inderdaad ijskoud. De lucht was helder, de sterren fonkelden boven de besneeuwde daken van ons rijtjeshuis in Amersfoort. Mijn adem vormde wolkjes terwijl ik naar de bushalte liep. Mijn telefoon trilde in mijn jaszak. ‘Waar blijf je nou? Iedereen is er al!’ appte Lotte. Ik glimlachte. Lotte was altijd ongeduldig, altijd de eerste die wilde dat het feest begon.
In de bus zat ik naast een vrouw met een boodschappentas vol sinaasappels. Ze keek me even aan, haar blik gleed over mijn blote benen. ‘Niet koud, meisje?’ vroeg ze. Ik lachte ongemakkelijk. ‘Valt mee, hoor.’ Maar mijn knieën trilden.
Bij Lotte thuis was het warm en druk. Overal hingen slingers, de geur van appeltaart en warme chocolademelk vulde de woonkamer. Lotte trok me meteen mee naar haar kamer. ‘Je ziet er geweldig uit! Heb je het met je moeder weer aan de stok gehad?’ vroeg ze, terwijl ze haar mascara bijwerkte. Ik haalde mijn schouders op. ‘Ze maakt zich gewoon zorgen. Zoals altijd.’
‘Je hebt het zwaar, hè?’ Lotte keek me aan in de spiegel. Ik knikte. ‘Sinds papa weer thuis is, is het alsof alles op scherp staat. Ze praten nauwelijks met elkaar, maar als ze praten is het altijd ruzie. En ik zit er tussenin.’
Lotte sloeg een arm om me heen. ‘Je mag altijd bij mij logeren, dat weet je toch?’ Ik glimlachte dankbaar, maar wist dat ik dat nooit echt zou doen. Mijn moeder had me nodig, ook al zei ze dat nooit hardop.
Later op de avond, toen de muziek hard stond en iedereen danste, voelde ik me even licht. Ik lachte, dronk een glas wijn, vergat de kou en de ruzies thuis. Maar toen ik om middernacht naar buiten liep om af te koelen, voelde ik de kou weer tot op het bot. Mijn telefoon trilde opnieuw. ‘Waar ben je? Het is laat,’ appte mijn moeder. Ik zuchtte.
‘Ik kom zo naar huis,’ typte ik terug. Maar ik bleef nog even staan, keek naar de sterren, voelde de stilte om me heen. Waarom voelde ik me altijd zo verscheurd? Waarom kon ik niet gewoon genieten, zonder schuldgevoel?
Toen ik thuiskwam, zat mijn moeder in de keuken, een kop thee in haar handen. Ze keek op toen ik binnenkwam. ‘Je bent laat.’ Haar stem was zacht, maar ik hoorde de verwijtende ondertoon.
‘Ik had het gezellig. Het was Lottes verjaardag,’ zei ik, mijn jas uittrekkend.
‘Je had kunnen bellen. Of een berichtje sturen.’
‘Ik heb geappt, mam. Je hoeft je geen zorgen te maken. Ik ben geen klein kind meer.’
Ze keek me aan, haar ogen glommen. ‘Dat weet ik. Maar soms lijkt het alsof je me niet meer nodig hebt. Alsof je me wegduwt.’
Ik voelde de tranen branden achter mijn ogen. ‘Dat doe ik niet, mam. Maar het is zo moeilijk, met alles wat er gebeurt. Ik weet niet meer wat ik moet doen om het goed te maken.’
Ze stond op, liep naar me toe en sloeg haar armen om me heen. ‘Je hoeft niets goed te maken, lieverd. Het is niet jouw schuld.’
Ik huilde zachtjes in haar armen, voelde haar hand over mijn rug. ‘Ik wil gewoon dat alles weer normaal is. Zoals vroeger.’
Ze zuchtte. ‘Ik ook. Maar soms… soms kan dat niet. Soms moet je leren leven met wat er is.’
De dagen daarna voelde ik me leeg. Op school kon ik me niet concentreren, thuis was de spanning om te snijden. Mijn vader was vaak weg, kwam laat thuis, at zwijgend zijn eten op. Mijn moeder probeerde het gezellig te maken, maar haar glimlach was geforceerd.
Op een avond hoorde ik ze weer ruzie maken. Hun stemmen klonken door het huis. ‘Je kunt niet zomaar alles vergeten, Marjan! Alsof het nooit gebeurd is!’ riep mijn vader. ‘Ik probeer het! Maar jij doet alsof het allemaal mijn schuld is!’ snauwde mijn moeder terug.
Ik zat op mijn kamer, mijn handen over mijn oren. Waarom konden ze niet gewoon stoppen? Waarom moest ik altijd kiezen?
De volgende dag besloot ik niet naar huis te gaan na school. Ik liep doelloos door de stad, langs de grachten, de winkels, de mensen die haastig hun boodschappen deden. Ik voelde me onzichtbaar, alsof niemand me zag.
Uiteindelijk belde ik Lotte. ‘Mag ik bij jou komen?’ vroeg ik, mijn stem trillend.
‘Natuurlijk! Kom maar, ik ben thuis.’
Bij Lotte voelde ik me veilig. Haar moeder gaf me warme chocolademelk, vroeg niets, glimlachte alleen. Lotte keek me aan. ‘Je hoeft niet alles alleen te dragen, Jul. Echt niet.’
Ik knikte, maar wist dat ik uiteindelijk toch terug moest. Naar huis, naar de kou, naar de ruzies.
Toen ik thuiskwam, zat mijn moeder op de bank. Ze keek op, haar ogen rood van het huilen. ‘Waar was je?’ vroeg ze zacht.
‘Bij Lotte. Ik kon het even niet meer aan, mam.’
Ze knikte. ‘Ik snap het. Het spijt me, Jul. Ik weet dat het moeilijk is voor jou. Maar ik weet soms ook niet meer hoe ik verder moet.’
Ik ging naast haar zitten, pakte haar hand. ‘Misschien moeten we hulp zoeken. Samen. Want zo gaat het niet langer.’
Ze keek me aan, haar ogen vol tranen. ‘Denk je dat dat helpt?’
‘Ik weet het niet. Maar we moeten iets proberen. Anders raak ik je kwijt. En mezelf ook.’
Die nacht lag ik wakker in mijn bed, luisterend naar de stilte in huis. Ik dacht aan alles wat er gebeurd was, aan de kou buiten, aan de warmte van Lottes huis, aan de tranen van mijn moeder.
Heb ik spijt van mijn keuzes? Soms wel. Maar misschien betekent spijt gewoon dat je ooit echt hebt liefgehad. Of niet? Wat denken jullie? Hebben jullie ooit spijt gehad van iets, juist omdat je zo veel gaf?