Mamo, waarom geef je altijd mijn spullen weg?

‘Mamo, waarom geef je altijd mijn spullen weg?’ Mijn stem trilt, maar ik probeer het niet te laten merken. Mijn moeder, Anastasia, kijkt me aan met die blik die ik al sinds mijn kindertijd ken – een mengeling van ongeduld en iets wat op minachting lijkt. ‘Ach, Elianne, je weet toch dat je niet alles voor jezelf kunt houden. Je nichtje heeft het harder nodig dan jij.’

Ik slik. Het is alsof ik weer zes ben, op de vloer van ons rijtjeshuis in Amersfoort, terwijl mijn moeder mijn favoriete pop in een plastic tas stopt om mee te nemen naar haar vriendin. ‘Maar mam, dat is mijn pop!’ had ik toen geroepen. Ze lachte het weg. ‘Je hebt er toch nog genoeg?’

Nu, jaren later, sta ik in haar woonkamer. Ze is er niet meer – vorige week is ze overleden. De geur van haar parfum hangt nog in de lucht, vermengd met de muffe geur van oude boeken en vergeelde gordijnen. Mijn zusje Marloes en ik zitten op de bank, tussen dozen vol herinneringen. Het servies – haar trots, haar erfstuk – staat op tafel. ‘Wat moeten we hiermee?’ vraagt Marloes zacht. Haar ogen zijn rood van het huilen, maar haar stem klinkt hard. ‘Misschien wil tante Renate het wel,’ zeg ik, bijna achteloos. Maar vanbinnen voel ik een steek. Het is alsof ik haar stem hoor: “Je bent altijd zo gierig, Elianne. Je moet leren delen.”

Ik denk terug aan al die keren dat ik iets kwijtraakte. Mijn knuffelbeer, die ik van opa had gekregen, verdween na een bezoek van een kennis met een huilend kind. Mijn eerste fiets, die ik zelf had uitgezocht, werd weggegeven aan de dochter van een collega. ‘Je bent te oud voor zo’n kleine fiets,’ zei mijn moeder toen. Maar ik wist dat het niet waar was. Ze kon gewoon geen nee zeggen tegen anderen, maar tegen mij wel.

‘Waarom deed ze dat altijd?’ vraag ik hardop. Marloes haalt haar schouders op. ‘Misschien dacht ze dat ze zo goed deed. Of misschien vond ze het gewoon leuk om aardig gevonden te worden.’

De deurbel gaat. Het is tante Renate, met haar altijd te felle parfum en haar scherpe stem. ‘Ach, meiden, wat een verdriet hè? Maar goed, het leven gaat door. Hebben jullie al besloten wat er met het servies gebeurt?’

Ik voel de woede opborrelen. ‘Ja, tante. Je mag het hebben. Mam zou het vast fijn vinden als jij het krijgt.’

Renate kijkt verrast, maar pakt het servies zonder aarzelen aan. ‘Wat lief van je, Elianne. Je moeder zei altijd dat je zo op jezelf was. Maar kijk nou, je kunt toch delen.’

Ik voel mijn wangen gloeien. Marloes kijkt me aan, haar blik vol medelijden. ‘Waarom laat je haar dat zomaar zeggen?’ fluistert ze als Renate weg is. Ik haal mijn schouders op. ‘Wat maakt het uit? Ze heeft toch altijd gelijk gehad, volgens mam.’

De dagen daarna ruim ik het huis verder op. Elke kast, elke la, brengt herinneringen boven. De foto’s van vakanties aan de Zeeuwse kust, waar ik altijd als laatste mocht kiezen wat we gingen doen. De brieven van mijn vader, die vertrok toen ik tien was – misschien kon hij het ook niet meer aan, altijd op de tweede plaats komen.

Op een avond vind ik een doos met oude dagboeken van mijn moeder. Nieuwsgierig begin ik te lezen. Haar handschrift is slordig, maar ik herken haar stem in de woorden. ‘Vandaag heb ik Elianne’s pop aan de dochter van mijn vriendin gegeven. Ze keek zo verdrietig, maar ik weet dat het goed is om te delen. Ik wil niet dat ze zo op mij lijkt – altijd alles voor zichzelf houden.’

Ik sla de bladzijde om. ‘Soms ben ik bang dat ik haar tekortdoe. Maar ik weet niet hoe ik het anders moet doen. Mijn moeder was ook zo. Misschien zit het gewoon in ons.’

Tranen prikken in mijn ogen. Was het dan toch liefde, op haar eigen, kromme manier? Of was het gewoon onvermogen om mij te zien, om mij te horen?

De volgende dag bel ik Marloes. ‘Ik heb mam’s dagboeken gevonden. Ze dacht echt dat ze het goede deed.’ Marloes zucht. ‘Misschien moeten we haar vergeven. Voor onszelf, niet voor haar.’

De weken gaan voorbij. Het huis raakt leger, maar mijn hoofd blijft vol. Op een dag, als ik de laatste doos in de auto zet, zie ik in de spiegel mijn eigen gezicht. Lijk ik op haar? Ben ik net zo geworden?

’s Avonds, als ik alleen thuis ben, pak ik mijn telefoon en schrijf een bericht aan mijn dochter, Sophie. ‘Lieve Sophie, ik hoop dat ik je nooit het gevoel geef dat je niet belangrijk bent. Je mag alles houden wat van jou is. Ik ben trots op je, precies zoals je bent.’

Ik druk op verzenden en voel een last van mijn schouders vallen. Misschien kan ik het patroon doorbreken. Misschien kan ik wél luisteren, wél zien.

En toch blijft de vraag knagen: kun je echt loskomen van je verleden, of draag je het altijd met je mee? Wat denken jullie – zijn we gedoemd onze ouders te herhalen, of kunnen we echt veranderen?